Dwergpinguïns


Ik bestel nog een biertje aan de bar, die wordt opgesierd door een opgezette dwergpinguïn. In een reflex aai ik het dier over zijn rug, pas dan lees ik het bordje: don't touch. Gauw trek ik mijn hand terug.
  Dwergpinguïns.
  De eigenaar van het restaurant heeft reden om er eentje als mascotte te gebruiken. Ze leveren goed geld op. Avond na avond eten hier mensen die meegaan op nachtelijke excursies om de beestjes te zien.
  Ik niet. Ik doe daar niet aan mee.
  Niets is zo vervelend om met een horde keuvelende toeristen achter een blije excursieleidster aan te hobbelen.
  Maar ik wil ze wel zien, die pinguïns.
  De excursie verzamelt zich in de schemer op het terras, ik ga er snel vandoor. Ik loop langs de randen van het eiland, kijk tussen de stenen en tuur naar het water. Niks te zien. Een half uur later is het donker en zie ik nog niets.
  Twijfelend loop ik terug naar het terras. Daar staat de excursieleidster met ruime armgebaren en foto's haar verhaal te onderstrepen.
  Dat nooit.
  Ik loop nog twee keer langs de rand van het eiland. Niks. Jammer. Terug naar de auto dan maar.
  Nog vol van mijn eigen dwarsheid en teleurstelling zie ik een pinguïn op een steen. Er komt er nog een bij, en nog een. Hijgend, piepend en boerend klimmen ze op de wal, steken ze het pad over en verdwijnen tegen een helling waar ergens tussen de stenen hun holen zijn.